Het is zes uur in de ochtend en ik wil mijn moeder helpen de wc te vinden in reactie op haar onrustige geschuifel in bed en het over de bedrand slaan van haar benen. En het is de eerste keer dat zij mij niet herkent. ‘Wae ziet geej?’ klinkt het kribbig. Terwijl ik erbij sta, valt ze. Ze zet een te snelle stap, ik ben er niet op bedacht dat ze niet stevig staat en ze klapt zonder enige reflexreactie voorover, met haar hoofd tegen de rand van het bed. Nu zit ze ineengedoken tegen het bed en ze jammert en huilt, haar hoofd houdt ze in haar handen. Ik ben ontzettend geschrokken en als ik haar zo zie vrees ik het ergste. Beelden flitsen voorbij: haar oogkas is gebroken, we moeten naar het ziekenhuis en het oog moet er uit, ze heeft een gat in haar hoofd, een hersenschudding. Ik duw meteen op de bel voor de nachtzuster. Dit kan ik niet alleen.

Het lijkt mee te vallen, in een ooghoekje komt een piepkleine bloeduitstorting. Mijn moeder heeft van de schrik in haar broek geplast, we helpen haar op de wc en in een schone pyjama. Ik voel me verschrikkelijk schuldig, alsof ik de val had kunnen voorkomen. Had ik haar meer tijd moeten geven om mij te herkennen? Maar misschien was ze ook gevallen als ik er niet geweest was en dan was ze alleen geweest… Was het misschien een tia? Het is niet de eerste keer dat mijn moeder gevallen is, het komt steeds vaker voor dat haar benen dienst weigeren en dat ze zonder enige waarschuwing omvalt.

Een tweede verzorgende komt de bloeddruk opmeten volgens protocol: het lukt allemaal maar moeizaam, en ja, de bloeddruk is hoog, wat dacht je. Met ijs koel ik het oog van mijn moeder tegen de bloeduitstortingen en de pijn. Samen zitten we heel lang op de rand van het bed, ik praat zachtjes tegen haar en gelukkig kent ze me weer. Ik hou haar vast, leg haar nog even in bed en zeg dat ik bij haar blijf. Stil ligt ze daar, en helemaal ontdaan maak ik thee en ruim ik mijn logeerbed op.

Een uurtje later begint onze dag als altijd. We doen een kattewasje, ik help mijn moeder in haar kleren en we ontbijten als elke week. Mijn moeder geniet van haar boterham met aardbeien. Later luisteren we naar onze favoriete liedjes. En terwijl we meezingen met Wim Zonneveld, Willeke Alberti en Anneke Grönloh, begint zij ineens te fluiten. Ze vertelde me ooit dat zij als kind heel goed kon fluiten. Als de dokter komt is de herinnering aan het vallen al bijna weggevaagd. De beschermengel was in de buurt: behalve flinke bloeduitstortingen die nog zullen komen, is er geen schade. Mijn moeder heeft zelfs geen spoor van hoofdpijn. Het enige wat ze er zelf over zegt is dat het niet goed is in haar hoofd: ’Ik snap helemaal niks meer’.

Column van ' José Franssen '.
Ook gepubliceerd in: Zorgbelang, Gezond lijfblad voor alle Limburgers, nummer 3, 2013

De moeder van José Franssen is kortgeleden overleden.
José werkt nu aan een boek over het mantelzorgen.