Hoekie Negentig.>

In het dorpje waar onze kinderen zijn groot gegroeid, woonden we vlakbij een paar ouden-van-dagen-huisjes. In één daarvan woonde een waarschijnlijk heel oud vrouwtje. Ze was een tikkeltje mensenschuw en ging daardoor met vrijwel niemand om. We wisten niet eens hoe ze eigenlijk heette. Er kwam ook nooit iemand op bezoek. Alleen kinderen, die konden geen kwaad bij haar doen. Misschien wel als vervanging voor de kinderen die ze zelf nooit heeft gekregen. Ze zei niet veel tegen ze, maar er lag altijd wel een snoepje klaar. En dat hadden die van ons al snel in de gaten.

In ’t begin vroeg mijn vrouw : “Waar zijn jullie geweest?” En dan kwam als antwoord: “Bij Hoekie!” “Wie is dat?” vroeg mijn vrouw. “Nou, dat oude kromme vrouwtje immers!”

En inderdaad. Ze was helemaal krom gegroeid. Die had geen gemakkelijk leven gehad, dat kon je zo wel zien. Krom voorover gebogen schuifelde ze door de wereld. “Hoekie ? En hoe heet ze dan verder?” vroeg m’n vrouw. “Ja, dat weten we niet. Ze loopt zover voorover dat ze in een hoek van negentig graden staat!” En zo had ze in het vervolg ook een achternaam: Negentig.

Hoekie Negentig was geboren en getogen op een klein keuterboerderijtje ergens in het buitenveld. Een gezin van vijf personen. Vader, moeder, een oudere en een jongere broer. Vader en moeder zwoegden hard op het stukje bruikbare land en in het veen en de kinderen hielpen mee. Een heel normale gang van zaken op het Drentse platteland in de negentiende en begin 20e eeuw.

Op een gegeven moment kreeg Hoekie verkering. Een stoere boerenzoon van een grote boerderij met wel 12 koeien. Een lichtende toekomst lachte Hoekie toe. Maar toen werd haar moeder ziek.

Erg ziek. En waarschijnlijk omdat het gezin ver weg van de bewoonde wereld woonde en weinig geld had, kwam de dokter veel te laat. Moeder ging dood.

Wat was er logischer dan dat Hoekie de plaats van moeder innam. Ze was immers het meisje. En meisjes zijn vrouwen en vrouwen werken in het huishouden. En dat niet alleen. Ook in het boerenbedrijfje was genoeg voor Hoekie te doen. Vooral toen haar jongste broer het huis uitging om als knecht bij een herenboer te gaan werken. Vanaf die tijd had Hoekie geen moeder meer, geen vrije tijd meer en ook geen vrijer meer. Want die geloofde het verder wel, toen zijn lief vrijwel geen tijd en toekomst meer voor hem had.

Haar oudste broer had geen interesse in vrouwen, maar vond het wel vanzelfsprekend dat Hoekie altijd zijn eten voor z’n neus zette, z’n was deed en in het weekend z’n borreltje voor hem klaar zette.

De jongste broer deed het beter. Die trouwde plotseling een nicht van de baas en kreeg twee kinderen. Twee zonen. De eerste was er al vier maanden na de trouwdag. Maar dat huwelijk boterde niet. Rijk en arm gingen nou eenmaal niet samen. Vandaar dan ook dat die broer op een slechte dag weer thuis introk. Dat kon gemakkelijk, want pa was inmiddels ook overleden en Hoekie zorgde immers voor het manvolk. Ze werkte zo hard bij dat zorgen en op het boerderijtje, dat ze er krom van groeide. Vooral het werken in het veen was rugbrekend.

De oudste broer werd ziek en stierf, dus deden de twee overgeblevenen samen het boerenwerk, totdat ook de jongste broer een beroerte kreeg. En wie verzorgde hem? Juist. In die tijd bereikte Hoekie waarschijnlijk de negentig graden. Bij de begrafenis van haar tweede broer kon zij zodoende als enig overgeblevene op een gemakkelijke manier nog een laatste blik op de kist werpen.

Gelukkig kreeg ze algauw contact met haar twee neven. Die wisten dat de provincie een weg ging aanleggen dwars over het stukje land van Hoekie. Hoekie wist dat niet en heeft het misschien nooit geweten. Het enige wat zij begreep was, dat die twee neven zo vriendelijk waren om voor haar een ouden-van-dagen-huisje van de gemeente te huren en daar mocht ze van hen zonder iets te betalen blijven wonen tot ze na drie-en-een-half jaar eindelijk weer rechtuit kon liggen.

Eén van de twee erfgenamen was zowaar op de begrafenis, maar zelfs toen kon er nog geen “dankjewel” vanaf. Logisch, want Hoekie was immers de dochter geweest. Ze had gedaan wat van haar verwacht werd. ‘Zorgen’.

Kijk, dat is nou een voorbeeld van een echte mantelzorger in het verleden, die nooit geweten heeft dat ze mantelzorger was. Ze was de dochter en dat was alles. Het was ook meer dan genoeg.

Gelezen in het boekje: “Iedereen kan mantelzorger worden”