Haar hele leven heeft mijn moeder genoten van zoetigheid. Ik ken de verhalen uit haar verpleegsterstijd, toen ze kind aan huis was in de bakkerij van haar vriendin Lène en daar van pa Geenen na sluitingstijd gebakjes mocht snoepen, zoveel ze wilde. Tegenwoordig ben ík het die elke week een gebakje, heerlijke koekjes of chocolaatjes meebrengt, al was het maar om te ervaren hoe intens ze van het snoepen kan genieten. En, eerlijk is eerlijk, ik heb de functie van snoep als troosteres ontdekt.

Vanmorgen is mijn moeder al vanaf het wakker worden onrustig. Ze wil naar huis, vraagt zich af waar de kinderen zijn en weet niet wat ze moet doen en hoe. ‘Ik kan het niet meer, ik weet niks meer’, hoor ik haar bij herhaling mompelen. Niet te herhalen vloeken onderstrepen de ernst. ‘Dit is toch niks, zo’n leven,’ bromt ze. Ik negeer het gemopper zoveel mogelijk en tegen koffietijd zet ik mijn troeven uit. Inmiddels heb ik er geen problemen meer mee: soms zijn er zelfs vóór de warme maaltijd al gebakjes bij de koffie, in de hoop mijn boze moeder gunstiger te stemmen. Straks moet ik gaan en ik vind het vreselijk om haar ontregeld en angstig achter te laten.

Kijk eens wat ik heb voor bij de koffie, verleid ik en tover een doosje met twee aardbeientaartjes uit de koelkast tevoorschijn. Als mijn moeder de gebakjes ziet, wordt ze op slag blij en ik ook. Tevreden smullen we, zij met een handdoek op schoot, zodat knoeien niet meteen betekent dat er kleren gewisseld moeten worden. De concentratie op het lekkers is totaal. Hoewel ze niet meer precies weet hoe het allemaal moet, gaan zonder problemen hap na hap aardbeien, zandgebak en puddinglaagje de mond in. Ze smult. Ik laat haar drinken van de koffie en als ik mijn taartje half op heb, laat ik haar even alleen om iemand te zoeken die straks mee kan voorkomen dat het afscheid ingewikkeld wordt. Weggaan gaat beter als iemand van de verzorgenden mijn moeder komt vragen om mee te gaan naar de maaltijd of beter nog, haar vraagt om te helpen bij het een of ander.

Als ik terugkom in de kamer, zit mijn moeder heel tevreden op de bank te suffen. Het gebakje is op, en het mijne ook, constateer ik glimlachend. De troost is ingetreden. We drinken samen de koffie op, ik geef de planten water en maak me op voor het vertrek. En als Dorry komt om hulp in te roepen bij het kiezen van nieuwe tafellakens voor de afdeling, en mijn moeder merkt dat ik toch echt weer moet gaan, loopt ze zonder problemen mee en kan ik gelukkig met een goed gevoel vertrekken.

 

Met dank aan Jose Franssen voor dit prachtige verhaal uit haar columns. Zij stelde ons ook de foto ter beschikking. 
www.josefranssen.nl/columns